Lezen met Jonathan
‘Jonathan*, kijk, een rugzak. Kun jij de r vinden? We zitten samen aan mijn grote eettafel, Jonathan (5) en ik, met een letterpuzzelspel van Dora van Nickolodeon. Zijn moeder zit tegenover ons met zijn broertje van tweeënhalf. Die vermaakt zich prima met de blokkendoos; hij duwt net een geel vierkantje door het bijbehorende gele ovalen gat. Eigenlijk kan ik mijn ogen niet geloven: week 13, en hier zitten we dan.
Voorleesexpress
Toen ik voor het eerst bij Jonathan thuis kwam, als vrijwilliger van de Voorleesexpress, had hij vooral interesse in de telefoon in mijn achterzak. In de huiskamer van 4 bij 5 meter bleef hij wegrennen en dansen, hoe vaak zijn moeder of ik hem ook riepen. Zodra zijn broertje interesse toonde, kwam hij even op de bank zitten, om er meteen weer af te springen en verder te dansen. Hoe we ook vleiden, verleidden, boos werden (zijn moeder dan, ik wachtte af), het enige antwoord dat we kregen, was een bijna robotachtig ‘Zo werkt dat niet’ van Jonathan. Een frase die hij kennelijk – zo was mijn theorie – vaak hoorde op school.
De tweede keer hing ik mijn tas aan een hoge kapstok in het piepkleine gangetje, zodat Jonathan daar niet meer bij kon. Hij bleef in de kamer ronddansen, het volle uur dat zijn moeder en ik hem trachten te verleiden met nieuwe boekjes.
Na een keer of vier, vijf besloten we het in de plaatselijke bibliotheek te proberen. Tevergeefs, Jonathan bleef wegrennen; hij pakte soms een boekje op, maar blijven zitten om te luisteren wat er in stond, no way. Hij keek me trouwens ook niet aan, eigenlijk niet één keer. Alleen tegen zijn moeder praatte hij normaal. Liefdevol en geduldig bleef ze, ook toen hij keihard de bieb uitrende in z’n eentje.
Toch maar weer thuis proberen dan. Puzzelen misschien? Kleuren? Memory? Niets hielp. Jonathans gedrag begon opzettelijk te lijken, hoe klein hij ook was. Want hoewel hij geen contact met me maakte, leek hij de situatie wel te willen controleren. Zou er iets aan Jonathan mankeren? Ik besloot het toch maar eens te vragen.
Jonathan blijkt naar een sbo-school buiten het dorp te gaan, waar hij momenteel geobserveerd wordt. Uitleggen wat er precies gebeurt op school, kan moeder niet. Haar Nederlands is prima maar beperkt. Met de kinderen spreekt ze Arabisch. Misschien hebben we het ook wel verkeerd gedaan, zegt ze wel aarzelend, als ik uitleg dat ik soms het gevoel heb in de maling genomen te worden. ‘Sinds de geboorte van zijn broertje hebben we hem eigenlijk steeds zijn zin gegeven.’ Het woord verwend gebruikt ze niet.
Juf belt
Inmiddels heeft de leraar op school interesse in ons experiment. In de klas blijkt Jonathan namelijk wél te kunnen stilzitten. Ze belt: zou ik het niet eens op school willen proberen? De Voorleesexpress begint zacht druk uit te oefenen of we het niet beter kunnen opgeven, maar inmiddels zie ik kleine Jonathan als een uitdaging. ‘Tuurlijk juf, we proberen het vier keer, en dan zien we wel weer.’
Op school blijkt Jonathan een ander kind. De eerste sessie neemt hij een vriendje mee, Francesco, die ook robottaal spreekt (ik kan er bij hem overigens geen chocolade van maken). Juf zet ons met z’n drietjes op de gang, aan een klein tafeltje met drie stoeltjes (iets wat Jonathan thuis niet heeft, er is ook nauwelijks ruimte voor in die kleine huiskamer). Het lukt om in een kwartier een dun boekje min of meer te lezen samen. Zeker, mijn horloge leidt af; en er gebeurt ontzettend veel op die gang waar we wel naar móeten kijken. Maar voor het eerst oogt het alsof we samen iets aan het doen zijn. De tweede keer komt Jonathan alleen uit de klas. We lezen op de gang een boekje (min of meer) en … hij praat tegen me. Minimaal, maar hij noemt mijn naam, de naam van een vriendje, hij wijst zijn kapstok aan. We hebben contact. Ook wil hij met me naar de schoolbibliotheek, een verdieping hoger. Hij pakt bijna lukraak een boekje en rent naar het raam waar van alles te zien is, buiten op het plein. Hij stamelt wat woordjes, bal, water.
De volgende keer dat ik op school kom, zit er op de gang een jongen met helrood haar in een kinderstoel met de kap naar beneden. ‘Ik ben boos!’ roept hij naar mij, terwijl ik op Jonathan wacht. Ik reageer niet. ‘Ik ben bóóhóós’, herhaalt hij, en hij begint een beetje met de kap te rotzooien. Even later wordt hij door een lerares opgehaald. Nog steeds boos mag hij afkoelen in de gezamenlijke huiskamer. Jonathan kijkt hem na. Nu hebben wij de gang voor onszelf. We duiken op een bankje in een nabije speelhoek en lezen een boek over lammetjes, biggetjes, geitjes. Jonathan benoemt ze allemaal. Het lijkt alsof er een knop is omgedraaid bij hem. Hij kletst en kijkt me aan als ik dat vraag. We gaan samen naar de schoolbieb, onderweg wijst hij alles aan en benoemt het. De namen van de kleuren kent hij nog niet; een fiets, een brommer, een motor, een fatbike in zijn boekje, het is voor hem allemaal een fiets.
De school is dicht, week 13 van ons traject, vandaar dat we bij mij afspreken, als een soort tussenstap tussen school en zijn thuis. Wat voelt mijn eettafel opeens groot. Wat zijn Jonathan en zijn broertje nog klein. We maken een foto van hem bij het spel dat we zojuist gespeeld hebben. Voor juf. Straks nog even Memory. Maar eerst verhuizen we naar de bank, met Dikke Dik.
Volgende week, toch maar weer eens naar de bibliotheek.
En wat ik nou eigenlijk probeer te zeggen? Dat het zonder de interventie en de verwachting van de leerkracht niet gelukt was om Jonathan te bereiken. Dan had ik het allang opgegeven. En dat sommige kinderen kennelijk meer tijd nodig hebben dan anderen om te landen in een nieuw land, een nieuwe omgeving. En dat we die tijd moeten maken.
De naam van Jonathan is gefingeerd.

